'DE KRACHT VAN DE PODIUMKUNSTEN'
Theater De Spiegel in Zwolle was maandag
29 september het toneel voor het congres Podiumkunsten 2008. Ongeveer
400 aanwezigen luisterden in de ochtend naar enkele sprekers uit
Nederland, de VS en Engeland en vulden hun middag met het bijwonen van
lezingen, discussies en ´doe-tafels’. Uit de reacties van
verschillende congresgangers was te beluisteren dat de onderwerpen die
op het congres aan de orde kwamen zeker ‘in de roos’ waren, ook al
leidde de inleidingen en discussies niet direct tot pasklare
oplossingen. Meer samenwerking tussen instellingen en koepels is zeker
gewenst, maar over de manier waarop zijn de meningen verdeeld. En hoe
geef je als gezelschap of podiuminstelling invulling aan dat vermaledijde begrip ‘cultureel ondernemerschap’?
Lees hier de conclusie van Hans Onno van den Berg (dir. VSCD)CONGRESVERSLAG (redactie Pieter de Nijs)
Eén bureau, maar twee labels
'Podiumkunsten
aller landen, verenigt u!’ Wie niet beter wist, zou denken dat, na de
ministers van financiën in de VS en in Europa, ook Loek Hermans, voorzitter van MKB-Nederland, plots van liberaal was omgeturnd tot socialist. Het pleidooi van Hermans betrof echter niet de v
oordelen
van gedeeld bezit, laat staan die van het nationaliseren van omvallende
banken, wél die van gedeelde backoffices en van gezamenlijke
initiatieven op het gebied van inkoop, innovatie en digitalisering.
‘De
meesten van jullie zijn aangesloten bij het MKB,’ zo hield Hermans
managers, marketeers, theater- en schouwburgdirecteuren en andere bij
de podiumkunsten betrokken deelnemers aan het congres Podiumkunsten
voor. ‘Jullie theaters en podia zijn in de meeste gevallen ook
werkelijk MKB-bedrijven. Jullie kampen met dezelfde problemen en hebben
te maken met vergelijkbare uitdagingen als
‘gewone’ MKB-bedrijven. Ook jullie hebben het vaak te druk met het
regelen van de dagelijkse dingen en ook jullie komen niet toe aan het
ontwikkelen van strategieën en innovaties.’ De oplossing ligt voor de
hand: krachtenbundeling en samenwerking. Maar samenwerking zonder je
eigen identiteit te verliezen. ‘Ga uit van de vraag: wat hebben we
gemeenschappelijk? Waarin kunnen we onze krachten bundelen. Hoe kunnen
we innovaties oppakken?’ aldus Loek Hermans.
De voorzitter van
MKB-Nederland ondersteunde zijn betoog over samenwerking met een
verhaal over zijn eigen organisatie, die na jarenlang bij politiek Den
Haag vaak hetzelfde bepleitte als zusterorganisatie VNO. Zo
concurreerden beide organisaties met elkaar, terwijl ze vaak dezelfde
belangen te behartigen hadden. Samenwerking lag dus voor de hand.
‘Binnenkort delen we één beleidsbureau, maar we houden wel allebei ons
eigen label,’ aldus Hermans, die dit als model voorhield aan zowel de
verschillende koepelorganisaties op het gebied van de podiumkunsten als
aan de verschillende theaters en gezelschappen. ‘De VSCD kent een
academie voor Podiumkunsten en de Nederlandse Museumvereniging heeft
iets vergelijkbaars. Krachtenbundeling ligt dus voor de hand.’
‘Stap
over je eigen schaduw heen. Vraag je af wat hetzelfde is en wat het
verschil en bepaal daarop je samenwerking. En zoek de steun van het
MKB, want daarvoor moet je zo’n koepel gebruiken! Ik durf te zeggen:
wanneer u het niet doet, zult u altijd de speelbal blijven!’ zo besloot
Loek Hermans zijn uit de losse pols gehouden betoog.
‘Red de familiefoto’s’
Ook gastspreker Ben Cameron benadrukte de urgentie van verandering en samenwerking. Cameron hield een gloedvol betoog over
de taak van en de opgave voor de kunsten in de 21e eeuw en refereerde aan een drietal problemen. Zo is er de
aanstaande generatiewisseling. In de aankomende jaren verlaten veel
oudere leidinggevenden het vak. De vraag is waar jonge vervangers zijn
te vinden. Verder de – vaak moeilijk te verklaren – verandering in het
gedrag van het publiek. Er bestaat geen vast publiek meer met een vast
gedragspatroon. ‘Bovendien zijn mensen zijn tegenwoordig gewoon te moe
om naar de schouwburg of het theater te gaan. De meesten willen gewoon
een goede nacht slaap.’ Tenslotte zijn er de veranderingen ten gevolge
van de voortschrijdende digitalisering. De concurrentie om de aandacht
van het publiek bij marketingboodschappen is enorm. Computerspellen
verkopen inmiddels beter dan muziek en films. En het jongere publiek is
eraan gewend geraakt op elk moment te krijgen wat het wil, en zelfs
zonder ervoor te betalen. ‘De vraag is wat het betekent voor de
toekomst, wanneer we veel geld vragen voor het aanbod in cultuur,
wanneer jongeren gewend zijn om wat ze willen (bijna) gratis te
downloaden?’ hield Cameron het publiek voor. ‘We zitten middenin een
verandering van seismische kracht.’
Het belangrijkste – aldus Cameron – is echter dat de mogelijkheden voor de uiting
en van creativiteit enorm zijn toegenomen. Jongeren hebben geen film- of geluidsstudio meer nodig om films of muziek te maken. En dat heeft een belangrijke consequentie: de markt van de toekomst zal worden gedefinieerd door participatie. En waarde is vanaf nu een kwestie van co-creatie. Dit alles stelt
de cultuursector voor een serie opgaven. Het is de taak van de sector
om een ‘renaissance’ te bevorderen, zo stelde Cameron. Het allereerste
antwoord dat mensen in de VS gaven op de vraag wat ze zouden redden als
hun huis in brand vloog was: de familiefoto’s. ‘The arts are our family
photographs!’, zo besloot Cameron zijn inspirerende verhaal, ‘en als wij onze taak goed vervullen, dan redden we die familiefoto’s.’
Sneak previews
Tussen de bedrijven door verleidde presentator Lex Bohlmeijer enkele ‘tafelleider
s’ van de middagsessies tot het geven van een sneak preview van hun presentaties. Opvallend was de beeldspraak waarmee zij reclame maakten voor hun eigen sessies. Benjamin Koolstra
zette zichzelf onder de titel ‘united we stand!’ neer als een
voetbalcoach die na de rust van plan was op zoek te gaan naar een
dragend middenveld, stijlvolle aanvallers en enkele robuuste
verdedigers. Tafelleider Pim van Klink liet horen dat hij de stelling betrok dat ‘er zoveel beter kan in de podiumkunsten’ en Concertgebouwdirecteur riep de aanstaande deelnemers aan zijn tafel juist op ‘uit de loopgraven’, om op zoek te gaan naar nieuwe coalities. Jan Rot zei daarentegen dat hij het voorlopig hield bij ‘lekker in m’n eentje!’
De nieuwe Synode van Dordrecht
Bohlmeijer ging na deze prequels in gesprek met Han Bakker, die zich ontpopte als de leider van ‘de nieuwe Synode van Dordrecht’. Bakker vertelde hoe hij zich, als cultureel intendant van Dordrecht, vooral heeft gegooi
d
op de taak voldoende draagvlak te organiseren voor een culturele
renaissance in de stad. Dat draagvlak bleek te liggen in een programma
waar verschillende groepen zich in herkennen, met als bindend element
het geloof. ‘Dordrecht was de belangrijkste stad in de opstand tegen
Spanje,’ zo hield Bakker het publiek voor. ‘En laat nu het
Reformatiemuseum in Genève, waar ik het college van B&W mee naartoe
nam, volhangen met plakkaten uit Dordrecht! En dus hebben we de
reformatie als leidraad genomen.’
Het voordeel van het cultureel
intendantschap is dat er één iemand is die zich presenteert aan alle
betrokkenen in pogingen om hen op één lijn ter krijgen. En dat is een
werkbaar model, zo luidde de conclusie.
Kansen voor de cultuursector
De stelling die Harvey Seifter
de congresgangers voorlegde, is op z’n minst interessant: het
bedrijfsleven heeft de cultuursector nodig! Bedrijven in de 21e eeuw
moeten volgens Seifter aan verschillende karakteristieken voldoen. Zo
moeten ze kunnen omgaan met ambiguïteit, snel kunnen inspelen op
verandering en in staat zijn om te communiceren met verschillende
culturen. Hun teams moeten in staat zijn tot creatief en
interdisciplinair denken en op hoog niveau kunnen samenwerken.
Ook
al leven we in het innovatietijdperk - voor innovatie is communicatie,
teamwork en creativiteit nodig en daar is volgens 400 van de
belangrijkste bedrijven een groot tekort aan. Daarnaast is duidelijk
dat de meeste werknemers nog steeds niet het gevoel hebben dat ze hun
creativiteit in hun werk kwijt kunnen. Bedrijven die hun werknemers die
kans wel bieden, doen het veel beter dan andere bedrijven.
Er
liggen volgens Seifter daarmee kansen voor de kunstsector en de
kunstinstellingen: die hebben van nature het soort kennis in huis die
bedrijven nodig hebben. Via zogenaamde art based learning kunnen
kunstinstellingen bedrijven de nodige vaardigheden bijbrengen. Seifter
presenteerde enkele ‘gouden regels’ waar culturele instellingen
rekening mee moeten houden bij de introductie van art based learning in
het bedrijfsleven. Maak allereerst duidelijk wat je doelen zijn.
Luister verder goed naar de markt en leer je eigen creatieve tools
kennen. Wees verder realistisch, benader bedrijven met respect voor de
cultuur van het bedrijfsleven en ga altijd uit van kwaliteit.
De
meeste congresgangers waren plezierig verrast door de inhoud van de
speeches van de sprekers uit de ochtendsessie. ‘Ik vond vooral het
verhaal van Loek Hermans prettig,’ was de reactie van Helga Voets van
Harry Kies Theaterproducties. ‘Het is goed om eens iets te horen van
iemand die niet uit de culturele sector komt. Wij laten behoorlijk wat
kansen liggen wanneer je de sector vergelijkt met bedrijfsleven. De
pogingen tot samenwerking lopen vaak vast op de vaak grote ego’s. Ik
heb veel hoop op jongere generatie. De jongeren zijn vaak pragmatischer
en minder statusgevoelig. Ook het verhaal van Han Bakker was
interessant. Als een gemeente met één iemand te maken hebt, werkt dat
gemakkelijker dan wanneer iedereen langskomt. Het is handiger om van
tevoren samen afspraken te maken. Anders laat je het aan de politiek
over om keuzes te maken.’
Rick Nederveen van DOD was het eens met
Hermans’ pleidooi voor meer samenwerking, schaalvergroting en back
office integratie. ‘Dat levert winst op. Ik vond overigens Ben Cameron
buitengewoon inspirerend. Het wordt tijd dat er in Nederland ook iemand
komt die zijn persoonlijke observatie op zo’n fascinerende wijze
combineert met zijn professionele expertise. Zijn opmerking over het
jongere publiek, dat gewend is zelf te bepalen wanneer ze wat willen
zien of horen, was voor mij aanleiding om hard na te denken. Je zou een
product moeten ontwikkelen dat als het ware een brug vormt naar
podiumbezoek, bijvoorbeeld met games. Ik heb geen pasklaar antwoord,
maar Cameron heeft me wel uitgenodigd om daarover na te denken.’
Marleen
Koens en Maartje Niewint van het Internationaal Danstheater vonden de
speech van Ben Cameron eveneens inspirerend. ‘Goed dat hij iets zei
over de tweerichtingverkeer die nodig is bij het jongere publiek. Er
moet sprake zijn van dialoog. Dat jongeren niet echt geïnteresseerd in
klassieke dans is een probleem waar wij ook mee worstelen. We gaan de
komende jaren zeker proberen om daar partners voor te vinden. We kunnen
bijvoorbeeld aansluiting zoeken bij partijen die al mee bezig zijn,
zoals ISH. Jongeren ‘verleiden’ met andere vormen van dans, of met de
kans dat ze zelf mogen dansen.’
Ook Jaap Jong van VNT was het eens
met het verhaal van Loek Hermans: ‘Ik roep al jaren dat samenwerken
moet. Maar het probleem zit in de identiteit. In het kunstbeleid van de
afgelopen jaren is steeds benadrukt dat je autonoom bent en moet zijn.
Dus gaat niemand samenwerken. Dat werkt alleen als de noodzaak er is.’
Marco
van Es van het Gelders Orkest vond de opmerkingen van Hermans
inspirerender dan hij had verwacht. ‘Er moeten in de podiumkunsten nog
heel wat barrières worden geslecht. Ik heb wel zitten denken over de
vorm die zo’n samenwerking kan krijgen. Misschien gooi ik nu een
knuppel in het hoenderhok, maar we hebben in Arnhem met Toneelgroep
Oostpool, Introdans, Stadsschouwburg Musis Sacrum en het Gelders orkest
vier grote culturele instellingen. Daar zou zeker een vorm van
samenwerking mogelijk zijn. We werken al samen in de stichting
Culturele Festi
vals Gelderland, maar we zouden best een gemeenschappelijk back office kunnen opzetten.’
Doe-tafels
Na de lunch konden de congresgangers kiezen uit een grote variëteit aan doe-tafels, nader kennismaken met de stellingen van de sprekers uit de ochtendsessie of deelnemen aan discussies.
Samenwerking
Een van de centrale topics van het
congres was samenwerking – met elkaar, met andere koepels en met
bedrijven. Dat de wil tot samenwerking er is, bleek wel uit bij de
verschillende discussies en doe-tafels tijdens de middagsessies, maar
om die wil in daden om te zetten, is blijkbaar erg moeilijk.
Het
ontbreken van een gemeenschappelijke doel, plus de angst voor het
verlies van de eigen identiteit vormen redenen waarom het met die
samenwerking voorlopig niet erg wil vlotten. Dat was tenminste de
conclusie die viel te trekken na afloo
p van de discussie o.l.v. Bert Holvast
die onder de noemer 'Naar een strategische agenda voor de
podiumkunsten' was georganiseerd. Om te spreken van een Babylonische
spraakverwarring zou overdreven zijn, maar er waren zoveel verschillen
in invalshoeken en uitgangspunten, dat er uit de discussie weinig
strategische punten naar voren kwamen.
Een van de deelnemers aan
de discussie, Vivienne Ypma (Kleine Komedie), onderstreept dat nog eens
desgevraagd: ‘Het grote struikelblok is dat mensen altijd alleen voor
zichzelf dingen zien en niet verder kijken dan hun neus lang is. Ik
probeer al een tijdje een samenwerking op te zetten met kleinere podia
in Amsterdam. Helaas is iedereen bang voor wat hij kan verliezen en
denkt niet aan wat er te winnen valt.’
Ook de reactie van Ramona van
den Bosch (secretaris Recreatie, Toerisme, Cultuur en Sport MKB en een
van de ‘sneljuryleden’ bij de discussie) was helder: ‘Het viel mij op
dat het gebrek aan samenwerking werd geïnterpreteerd als een gebrek op
lokaal niveau, of binnen de podiumsector. Ik had het over de hele
sector cultuur. Ik vind als buitenstaander de zaak in de kunstensector
erg ondoorzichtig. De kunsten kennen niet één brancheorganisatie, die
als ‘gezicht’ dient. Vergeet niet dat de overheid gewend is om met één
partner te praten. Het probleem is: hoe moet je beginnen? Begin je met
de organisatie of eerst met de agenda? Ik zou beginnen bij de
organisatie. Laat de brancheorganisaties de koppen bij elkaar steken en
de agenda bepalen. Daar hoef je niet per se één gezicht of kopman voor
te hebben. Bij het Platform Toerisme en Recreatie, waar de horeca, de
ANWB, de musea en de recreatie bij zitten, wisselen in de gesprekken
met de minister ook de gezichten. Maar daar heerst na jaren vertrouwen
- daar is iedereen ervan overtuigd dat de eigen identiteit in de weg
staat van collectieve actie.’

Er
is, waar het over samenwerking gaat, in ieder geval behoefte aan
sturing of coaching. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk aan de tafel van Henk Raben.
Theaters en koepels als de VSCD zouden meer samen moeten werken op
gebied van relevante zaken als verbouwing of nieuwbouw en het vinden
van fondsen of sponsoren, klonk het daar. ‘En waar vind je die
sponsoren en wat bied je ze aan? En hoe leg je contacten met
bedrijfsleven?’

Wellicht hadden degenen die bij Henk Raben aan tafel zaten, baat gehad bij een volgende sessie met Harvey Seifert.
Die maakte duidelijk dat samenwerking met bedrijven gestoeld moet zijn
op een kien inzicht in wat je zelf kunt en wat je ermee wilt bereiken.
‘Gaat het je alleen om het geld, of om iets meer dan dat?’ En het is
handig te bedenken wat je zelf hebt te bieden: ‘Wat zijn je verborgen
talenten?’ Overigens was het opvallend dat er bijna niemand aanwezig
was, die werkelijk ervaring had met het samenwerken met mensen uit het
bedrijfsleven.
Aan de tafel van Pim van Klink klonken enkele opvallende conclusies. ‘Als je wilt samenwerken moet je durven opgeven. Dat
geldt zowel je eigen boekhouder als je programmeringprofilering.’
Verder werd duidelijk dat samenwerken op velerlei manieren kan, van
onderop bijvoorbeeld, maar ook van bovenaf, maar dat sturing van
bovenaf vaak een cruciale succesfactor is. De verspreking van een van
de aanwezigen, ‘If you can’t join them, beat them’, werd uiteindelijk
het adagium van deze tafel. Ofwel: lukt samenwerking met de ene partij
niet, doe het dan met een andere.
Een samenwerking die wel werkt, is die tussen Ivo van Hove (Toneelgroep Amsterdam) en Frans Lommerse
(Toneelschuur Producties). Het succes van die samenwerking ligt met
name daarin, dat beide organisaties een gemeenschappelijk doel hebben
en elkaar aanvullen.
Als aanleiding voor de samenwerkin
g
noemde Van Hove de verwijdering die is ontstaan tussen het
theatercircuit in de kleine zalen en dat in de grote zalen. Met de
samenwerking willen Toneelgroep Amsterdam en Toneelschuur Producties
een brug slaan tussen deze twee circuits. Frans Lommerse: ‘Onze
alliantie is een gezamenlijk ontwikkeld plan, ontstaan uit het idee dat
de verantwoordelijkheid voor talentontwikkeling niet exclusief een taak
is van productiehuizen, maar een breder te dragen opdracht is voor het
theaterveld. Toneelschuur Producties concentreert haar beleid al een
aantal jaren rond de ontwikkeling van regietalent richting de grote
zaal en de grotere producties. Door de sterke kanten van beide
organisaties te verbinden, zijn wij beter in staat serieus werk te
maken van de talentontwikkeling van een nieuwe generatie regisseurs.’
Van Hove: ‘We willen jonge regisseurs helpen zich te ontwikkelen in het
werken naar producties voor de grote zaal. Zo zal een kruisbestuiving
ontstaan tussen uniek regietalent en het acteursensemble van
Toneelgroep Amsterdam. Frans en ik hechten er beiden aan dat jonge
theatermakers leren omgaan met grotere organisaties. De
organisatorische ervaringen van de Toneelschuur Producties komen
hierbij goed van pas. Verder beschikt de Toneelschuur over een
middenzaal die ideaal is om de stap van kleine naar grote zaal te
maken.’
Effectief lobbyen
Valt er wat betreft samenwerking nog veel te doen, dat geldt ook voor (effectief) lobbyen. Dat was tenminste de conclusie van Jurgen Warmerdam.
‘Veel instellingen zijn onzeker over het effect van hun lobby. Men is
bang voor irritaties bij de ambtenaar of bestuurder die benaderd wordt.
De meesten zijn echter ontvankelijker dan gedacht wordt. Het beste is,
vasthoudend maar respectvol je verhaal herhalen. En je boodschap steeds
in een ander papiertje verpakken.’
Bij
Doro Siepel van Theater Zuidplein kwam het verhaal van Jurgen Warmerdam
goed over. ‘Ik weet nu dat ik de frequentie van mijn lobby kan verhogen
en dat ik daar telkens een andere vorm aan kan geven. Verder weet ik nu
dat ik van tevoren goed moet nadenken over wie mijn
samenwerkingspartners zijn en hoe sterk die zijn, zodat ze er in de
lobby niet met mijn plannen vandoor gaan. En de belangrijkste tip: ga
nooit voor het geld, maar altijd voor de inhoud.’
Fondsenwerving en de v
ergroting van eigen inkomsten
De
verschillende manieren waarop instellingen meer eigen inkomsten kunnen
verwerven vormde het onderwerp van gesprek bij verschillende tafels. Peter Theirfeldt
benadrukte in zijn lezing dat fondsenwerving bepaald wordt door de
visie, missie en waarden van de eigen organisatie. De motivatie van de
donateurs moet daarmee overeenkomen. De meeste donateurs geven geld
omdat ze bij die groep mensen willen horen die dat kan doen. Ze willen
een fondsenwerver liever niet horen vragen om geld; ze willen dat
iemand van importantie hen wijst op het belang van ondersteuning van de
instelling. Bovendien willen ze zien wat er met hun geld gedaan wordt.
Particuliere
fondsenwerving wordt sinds enige tijd overigens vergemakkelijkt door de
Belastingdienst, zo werd duidelijk uit het verhaal van Sigrid Hemels
over de zogenaamde ANBI-status. ANBI staat voor Algemeen Nut Beogende
Instelling. Wanneer een instelling deze status verkrijgt, is zij
volledig vrijgesteld van successierecht en schenkingsrecht. Voor
particulieren is zo’n instelling aantrekkelijk, want zij kunnen bij een
gift aan een ANBI-instelling het geschonken bedrag volledig aftrekken
van de belasting. (Op 21 november 2008 organiseert de universiteit van
Leiden overigens een symposium, waar uitvoerig wordt ingegaan op de
ANBI status. Aanmelden kan via www.sffu.nl.)
Opvallend
Aan de tafel van Eric Holterhues (Triodos Cultuurfonds) bleek dat bankfinanciering in de culturele sector nog een relatief onbekend fenomeen is - sterker:
het
was voor velen een verrassende ontdekking. ‘Iedereen is gewend aan
subsidie. De optie ‘geld lenen’ is helemaal nieuw. Hopelijk leidt deze
tafel ertoe dat bankfinanciering als één van de opties om zaken
gerealiseerd te krijgen in de toekomst meer wordt meegenomen,’ aldus
Eric Holterhues.
Opvallend was verder dat velen in de sector
moeite hebben met de invulling van het begrip ‘cultureel
ondernemerschap’. De meeste instellingen getuigen nog steeds van een
zeer grote subsidieafhankelijkheid. Ze steken vergelijkenderwijs veel
meer energie in het verwerven van subsidies dan in het verhogen van de
eigen verdiencapaciteit. Terwijl dat laatste juist centraal staat bij
de overheid en bij adviescommissies (zoals de commissie Sanders).
Volgens tafelleider Leo Pot weten velen eenvoudig
niet waar ze moeten beginnen. Hoe verhoog je de eigen efficiency? En
hoe boor je eigenlijk nieuwe geldstromen aan?
Wat die laatste vraag betreft, was het onderwerp van de tafel van Reinier Sinaasappel
werkelijk een schot in de roos: ‘Het onderwerp van mijn tafel,
fundraising bij particulieren, kon niet actueler. Dankzij de
kredietcrisis en de gevreesde negatieve effecten op de vermogens van
fondsen als het SNS-Reaal Fonds en VSB-fonds en bedrijven, zijn trouwe
particuliere supporters opeens meer in het vizier dan ooit.’ Misschien
dat de Brand Guide van Singer Laren, om jezelf als A-merk te
positioneren en van daaruit de potentiële supporters te werven, andere
instellingen als voorbeeld kan dienen.
Paradigmawisseling
Simon Reinink,
directeur van het Concertgebouw in Amsterdam, koos voor zijn bijdrage
aan het congres voor de aanval. De klassieke muzieksector moet volgens
hem ‘uit de loopgraven’, anders loopt het verkeerd af. ‘We moeten als
sector veel meer de eigen trots, de onvergankelijkheid en het
excellente karakter van de klassieke muziek uitdragen. Kijk naar de
Boekenweek, met het Boekenbal. Een insider die daar geen ticket voor
heeft kunnen bemachtigen baalt daarvan. Waarom hebben wij geen
gala-avond voor de klassieke muziek, met een supertop aan gasten?
Waarom zetten wij niet iets soortgelijks neer tijdens de Muziekweek?
Juist dan zouden de concertgebouwen moeten focussen op topkwaliteit en
het allerbeste laten zien dat ze kunnen. Het publiek heeft immers
altijd door of iets topkwaliteit is.’
Reinink kwam met enkele
strategische oplossingen. Zo zou er een Nationale Taskforce Klassieke
Muziekeducatie opgezet moeten worden die op zoek gaat naar nieuw, jong
toptalent. Ook zou de Taskforce middelen moeten aandragen om de
muziekeducatie te bevorderen. Dat is volgens Reinink namelijk het meest
urgent. Daarnaast zou de klassieke muzieksector nu eindelijk werk
moeten maken van collectieve marketing. ‘Stel een deel van je budget
ter beschikking voor een langdurig samenwerkingsproject, zonder meteen
te denken: ‘What’s in it for me’. Tot slot bekritiseerde Reinink de
ongebreidelde volumetoename van stoelen in theaters en concertzalen.
‘Elke wethouder wil een vlakkevloertheater in zijn stad. Er wordt zo
veel gebouwd en de groei neemt steeds sneller toe. Wij laten dit als
sector gebeuren en als we niet zelf ingrijpen gaan we ten onder. Het
gaat hier om ons cultureel vastgoed. We moeten deze volumediscussie op
de agenda zetten.’
Dat we voor ingrijpende veranderingen staan, daarvan hoefde het merendeel va
n
de congresgangers, zeker na de keynote speech van Ben Cameron, niet
meer overtuigd te worden. Uit het doorpraten met Cameron concludeerde
toehoorder Marco van Es dat wat nu in Nederland gaande is, in de VS al
10 tot 20 jaar geleden is gebeurd. Daar is men al langer aan het
experimenteren, met bijvoorbeeld andere tijden voor muziek- en
theatervoorstellingen, met het op een andere manier communiceren met
het publiek en met het zoeken naar andere vormen van financiering.
Want, aldus Ben Cameron, ‘money is feedback.’
Een van de topics uit de keynote speech van Cameron keerde vermomd terug in de gesprekken aan de tafel van
Ronald Klamer.
Daar werd bijvoorbeeld geconstateerd dat theaters, schouwburgen en
gezelschappen wanneer het gaat om pers en publiciteit vaak nog
ongelooflijk onhandig en inefficiënt opereren. Waarom opereren we niet
gezamenlijk? Waarom steken we nog steeds geld in affiches en ander
drukwerk en niet in televisie? Via televisie kun je een verhaal
vertellen – en dat kan met een affiche niet! Via televisie werk je
empathisch en maak je contact met je publiek.

Als
Ben Cameron gelijk heeft, leven we in turbulente tijden, en is er zelfs
sprake van een paradigmawisseling, waar de kunsten een antwoord op
moeten kunnen geven. Toch blijft de vraag of de toekomst van de kunsten
ligt in het beter luisteren naar de wensen van het publiek, nog steeds
controversieel, getuige de reactie van een van de aanwezigen. ‘Het gaat
in de kunst toch om het hoogstpersoonlijke gevoel van de artistiek
leider’, zo klonk het. Zo’n uitspraak illustreert de conclusie van
Ronald Klamer, dat er een nieuwe discussie nodig is over het artistiek
versus het marktgericht denken, ook al is duidelijk dat het
onvoorwaardelijk vertrouwen op de markt in tijden waarin alle banken
aan het instorten zijn, ook niet de waarheid vertegenwoordigt.